Veel Engelse woorden lijken op elkaar of betekenen iets bijna hetzelfde, en worden daarom vaak verward. Let op de betekenis én de woordsoort: is het een zelfstandig naamwoord of een werkwoord?
Zelfstandig nw vs werkwoord
advice (znw) ↔ advise (ww); effect (znw) ↔ affect (ww).
- Give me some advice.
- I advise you to rest.
- It had an effect.
- It affects you.
Richting: borrow / lend, bring / take
borrow = lenen ván; lend = lenen áán. bring = hierheen; take = daarheen.
- Can I borrow your pen?
- Can you lend me a pen?
say vs tell
tell + persoon; say (zonder persoon, vaak + that).
- He told me a story.
- She said that she was tired.
Spelling-valkuilen
- lose (verliezen) ↔ loose (los)
- then (toen/daarna) ↔ than (vergelijken)
- quiet (stil) ↔ quite (best/nogal)
Let op Lees de hele zin: de betekenis bepaalt welk woord je nodig hebt.