For, since en ago
tijdsduur, startpunt of terugtellen?
Engels oefenen · NL ↔ EN
Woordjes, werkwoorden en grammatica met directe feedback — en een echt cijfer als je een toets maakt.
tijdsduur, startpunt of terugtellen?
a/an, some/any, much/many en meer
Wanneer welk lidwoord?
De verleden tijd vormen (regelmatig + onregelmatig)
Alleen de tegenwoordige tijd: -s, spelling en do/does
Hoeveelheden aangeven
allebei 'dan' in het Nederlands
I / me / my / mine en de rest
in / on / at
myself, yourself, himself …
can / could / must / should / may
was / were + werkwoord-ing
had + voltooid deelwoord
Zet alle werkwoorden in een tekst in de verleden tijd
did / didn't + heel werkwoord
have / has + voltooid deelwoord
Vul de juiste vorm van het werkwoord in
Voorspelling, plan of spontaan besluit
-er / -est en more / most
its/it's · there/their/they're · your/you're
who / which / that / whose
advice/advise, affect/effect, lend/borrow…
talking of to talk?
Zero, first en second conditional
Wanneer gebruik je welke?
He hasn't gone, has he?
Zelf het juiste woord typen (geen keuzes)
Meerkeuze: kies de juiste vorm
Herken de lijdende en bedrijvende vorm
Vul zelf de juiste vorm in
The house was built.
The house is built.
got + voltooid deelwoord (informeel)
Welke zin is goed?
The house is being built.
The house has been built.
Present simple · past simple · present continuous
She was given a present.
It will be / can be / must be built.
iets láten doen: have + ding + deelwoord
Mix: alle tijden door elkaar
De rijtjes: am / is / are en was / were
De rijtjes: have / has en had
Makkelijk — alleen de verleden tijd
Gemiddeld — verleden tijd én voltooid deelwoord
De spelling van de verleden tijd
Moeilijk — de lastige rijtjes
Expert — de minder bekende
Pittig — alleen het past participle
Nog meer — zelfde vorm voor past & participle
Op de boerderij en in het wild
In de keuken en aan tafel
Iedereen om je heen
Van hoofd tot voet
Kamers en meubels
De klas, het rooster en je spullen
Het tegenovergestelde bijvoeglijk naamwoord
Vertaal van Nederlands naar Engels
Wat je aantrekt
Wat doe je in je vrije tijd?
Wat wil jij later worden?
Buiten en in de lucht
Op vakantie, op het vliegveld, onderweg
happy → unhappy
careful / careless
quick → quickly
teach → teacher
-tion / -ment / -ness
un / in / im / ir / il / dis
Maak de juiste vorm van het woord
Pak een onderwerp uit de inhoudsopgave dat past bij wat je leert op school.
Vul je antwoord in en controleer het meteen. Fout? Je ziet direct het goede antwoord.
Test jezelf zonder hints. Aan het eind krijg je je score én een Nederlands cijfer.