Nu allebei de lastige vormen: de verleden tijd (past simple) én het voltooid deelwoord (past participle).
Past simple
Voor een zin in de verleden tijd.
- I saw a film yesterday.
Past participle
Na have/has en in de lijdende vorm.
- I have seen it.
- It was eaten.
Let op be → was/were → been; go → went → gone; do → did → done.