← Inhoudsopgave

Woordvorming · toets

Personen: -er / -or / -ist

Beantwoord alle 12 vragen en lever in. Geen hints, geen tussentijdse feedback — net als bij een echte overhoring.

  1. 1Uitleg
  2. 2Oefenen
  3. 3Toets
Vraag 1

Iemand die lesgeeft (teach) →      

Vraag 2

Iemand die acteert (act) →      

Vraag 3

Iemand die schrijft (write) →      

Vraag 4

Iemand die schildert (paint) →      

Vraag 5

Iemand die aan wetenschap doet (science) →      

Vraag 6

Iemand die kunst maakt (art) →      

Vraag 7

Iemand die rijdt (drive) →      

Vraag 8

Iemand die op bezoek komt (visit) →      

Vraag 9

Iemand die zingt (sing) →      

Vraag 10

Iemand die piano speelt (piano) →      

Vraag 11

Iemand op reis / toerist (tour) →      

Vraag 12

Iemand die vertaalt (translate) →      

Je antwoorden worden nagekeken op de server.